Een schilderij dat u tot eind 2025 in een galerie kocht, droeg 21 % btw. Sinds 1 januari 2026 is dat 6 %. België heeft het tarief op kunstwerken naar beneden gelijkgetrokken — een beslissing die de economie van aankoop, invoer en doorverkoop hertekent, en die verder gaat dan louter een cijfer.
Sinds 1 januari 2026 geldt een uniform btw-tarief van 6 % op de levering, de invoer en de intracommunautaire verwerving van originele kunstwerken in België (wet van 19 december 2025, circulaire 2026/C/14). Het vroegere onderscheid — 6 % bij rechtstreekse aankoop bij de kunstenaar, 21 % in galerie of veilinghuis — verdwijnt. Technische keerzijde: de margeregeling kan niet meer worden toegepast bij de doorverkoop van een goed dat aan een verlaagd tarief werd aangekocht.
Wat de hervorming precies inhoudt
Het vertrekpunt is een Europese richtlijn: richtlijn (EU) 2022/542 van de Raad van 5 april 2022 gaf de lidstaten de mogelijkheid om een uniform verlaagd tarief toe te passen op kunstwerken, verzamelobjecten en antiquiteiten. België maakte er — laat maar resoluut — gebruik van via de wet van 19 december 2025, in werking getreden op 1 januari 2026. De administratie verduidelijkte de praktische toepassing in circulaire 2026/C/14 van 13 januari 2026.
Het principe is eenvoudig te formuleren: 6 % btw op alle leveringen van originele kunstwerken, maar ook op de invoer ervan uit een derde land en op de intracommunautaire verwerving. Eén tarief, ongeacht het kanaal.
Voor en na: wat er echt is veranderd
Vóór 2026 bestond het tarief van 6 % al, maar in een smalle omschrijving. Het gold enkel voor de rechtstreekse aankoop bij de kunstenaar (of zijn rechthebbenden) en voor de invoer van een werk dat rechtstreeks bij de kunstenaar buiten de Unie was aangekocht. Zodra het werk via een tussenpersoon passeerde — een galerie, een veilinghuis, een handelaar — trad opnieuw het normale tarief van 21 % in werking.
| Aankoopkanaal | Vóór 2026 | Sinds 2026 |
|---|---|---|
| Rechtstreeks bij de kunstenaar | 6 % | 6 % |
| In een galerie | 21 % | 6 % |
| In een veilinghuis | 21 % | 6 % |
| Invoer (buiten EU) | 6 % (bij directe aankoop kunstenaar) | 6 % |
| Intracommunautaire verwerving | 21 % | 6 % |
Voor een koper is het verschil niet cosmetisch. Op een werk van 50 000 € exclusief btw, gekocht in een galerie, daalt de btw van 10 500 € naar 3 000 €: 7 500 € voordeel op één enkele aankoop. Het is die mechaniek die verschillende commentatoren deed spreken van een van de meest competitieve rechtsgebieden van Europa voor de kunsthandel.
De keerzijde: de margeregeling sluit zich
Elke fiscale hervorming heeft haar technische keerzijde. Hier betreft ze de professionals. De margeregeling laat een belastingplichtige-wederverkoper toe de btw enkel op zijn marge te berekenen — het verschil tussen verkoop- en aankoopprijs — in plaats van op de volledige verkoopprijs. Het is een centraal mechanisme in de handel in tweedehandskunst.
De wet van 19 december 2025 voegt er een nieuwe voorwaarde aan toe: de margeregeling kan niet langer worden toegepast als er in een eerdere fase een verlaagd btw-tarief werd toegepast, of dat nu bij de aankoop, de invoer of de intracommunautaire verwerving was. Een handelaar die bij aankoop van het 6 %-tarief heeft genoten, moet bij doorverkoop dus de normale regeling toepassen en de volledige verkoopprijs belasten.
De regel geldt ook voor voorraden die al op 31 december 2025 waren opgebouwd: de btw-behandeling wordt bepaald op het moment dat de belasting bij doorverkoop opeisbaar wordt, niet op het moment van aankoop. Een wederverkoper moet dus stuk per stuk afwegen tussen de 6 % bij binnenkomst en het verlies van de margeregeling bij uitgang. De administratie voorzag een tijdelijke tolerantie voor de btw-aftrek op goederen die sinds 2022 werden aangekocht of ingevoerd; de voorwaarden ervan moeten geval per geval worden nagegaan.
Wat het betekent voor een verzamelaar of een vennootschap
Voor de eindkoper die niet de bedoeling heeft door te verkopen — een privéverzamelaar, een vennootschap die een werk voor haar muren aankoopt — is de hervorming netto goed nieuws. De instapkost daalt met vijftien procentpunten btw bij aankopen in galerie en veilinghuis, zonder tegenprestatie, aangezien de vraag naar de margeregeling zich op dat niveau niet stelt.
Voor een btw-plichtige vennootschap komt de logica bovenop het recht op aftrek: de bij aankoop betaalde btw kan, afhankelijk van de activiteit en de bestemming van het goed, geheel of gedeeltelijk worden gerecupereerd. Een lager instaptarief vermindert de aanvankelijke liquiditeitsbehoefte en vereenvoudigt de afweging tussen privéaankoop en aankoop via de structuur — een afweging die we behandelen in onze gids over de aankoop van kunst via een vennootschap.
De btw is slechts één laag van de fiscaliteit van kunst. Ze betreft de verwerving; ze zegt niets over de behandeling in de vennootschapsbelasting, de aftrekbaarheid, de meerwaarde bij overdracht of de vermogensoverdracht. Een aankoopbeslissing beoordeelt men op de volledige fiscale keten, niet op het btw-tarief bij binnenkomst alleen.
Een signaal, meer dan een niche
Voorbij de rekensom stuurt de hervorming een boodschap. Door de fiscale instapkost op de kunstmarkt te verlagen, versterkt België de aantrekkelijkheid van een activaklasse waarvan de aard — een lichamelijk roerend goed, onderscheiden van financiële instrumenten — ze buiten het toepassingsgebied van de nieuwe meerwaardebelasting op financiële activa plaatst. Voor een bedrijfsleider die een vermogensarchitectuur opbouwt in de context na de Arizona-hervorming wint het kunstwerk aan relatieve samenhang.
Toch herinnert de technische nuance van de margeregeling aan een constante in de fiscaliteit: een op het eerste gezicht gunstige maatregel brengt altijd tweede-orde-effecten met zich mee. Ze correct lezen betekent onderscheiden wat geldt voor de eindkoper en wat geldt voor de professional die doorverkoopt.
Overweegt u een aankoop — privé of via uw vennootschap — dan dient het vertrouwelijke gesprek net om de btw binnen uw volledige fiscale situatie te plaatsen, vóór elke beslissing.