VVPRbis is wellicht het meest gebruikte — en minst goed begrepen — fiscale instrument van Belgische KMO-bedrijfsleiders. Het is bedoeld om duurzame kapitaalinbreng in een kleine vennootschap te belonen door de roerende voorheffing op dividenden te verlagen van 30% naar 20% en vervolgens naar 15%. De programmawet van februari 2026 verandert het evenwicht. Hieronder een gestructureerd overzicht van de voorwaarden, de wachttermijnen en de berekening — en wat er werkelijk verandert.

Kort antwoord

Het VVPRbis-regime (artikel 269 §2 WIB 92) laat een 'kleine vennootschap' in de zin van artikel 1:24 WVV toe haar dividenden uit te keren tegen een verlaagde roerende voorheffing, op voorwaarde dat de aandelen voortvloeien uit volledig volgestorte inbrengen in geld en op naam zijn aangehouden sinds de oprichting of de kapitaalverhoging. Het tarief bedraagt 20% voor uitkeringen in het 2de boekjaar na de inbreng en 15% vanaf het 3de. Het ontwerp van programmawet van februari 2026 voorziet de afschaffing van het 20%-tarief voor inbrengen na 31 december 2025 en de verhoging van het tarief van het 3de boekjaar tot 18%, afgestemd op de inwerkingtreding van de wet (vermoedelijk in de loop van 2026).

Voor veel bedrijfsleiders behoort VVPRbis tot het meubilair. Men spreekt erover bij de oprichting van de vennootschap, men noemt het bij een kapitaalverhoging, en daarna vergeet men het — tot men nadenkt over het uitkeren van een deel van de kasreserves. Op dat ogenblik komen de vragen in cascade: heeft men nog recht op het verlaagde tarief? Is de wachttermijn voldaan? Moet men de uitkering vervroegen vóór de volgende hervorming?

De waarheid is dat het regime niet bijzonder ingewikkeld is — het is gewoon technisch. Elke voorwaarde, elke termijn, elke wettelijke verwijzing verdient nauwlettende lectuur vóór elke onomkeerbare beslissing.

Het mechanisme in één zin

VVPRbis is een afwijkend regime ten opzichte van de gewone roerende voorheffing van 30%, gecodificeerd in artikel 269 §2 WIB 92. Het stimuleert nieuwe kapitaalinbreng in kleine vennootschappen door de fiscaliteit te verlagen op de dividenden die later op deze inbreng worden uitgekeerd.

Concreet: indien u uw vennootschap heeft opgericht met een geldinbreng na 1 juli 2013 (datum van inwerkingtreding van het regime), of indien u sinds die datum een kapitaalverhoging in geld in een kleine vennootschap heeft doorgevoerd, kunnen de dividenden uitgekeerd op deze 'nieuwe' aandelen genieten van een verlaagd tarief — onder voorbehoud van een wachttermijn.

De cumulatieve voorwaarden

Het voordeel van het regime is nooit automatisch verworven. Het veronderstelt het samenkomen van meerdere cumulatieve voorwaarden die moeten worden nageleefd op het ogenblik van de uitkering van het dividend, en voor sommige sinds de oorspronkelijke inbreng.

Kleine vennootschap. De uitkerende vennootschap moet als 'kleine vennootschap' worden gekwalificeerd in de zin van artikel 1:24 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen. De beoordeling gebeurt op het ogenblik van de inbreng, niet op het ogenblik van de uitkering — de administratieve doctrine en de praktijk van Belgische fiscale kantoren bevestigen deze lezing. Een vennootschap die later de drempels overschrijdt verliest dus het voordeel niet op haar oude VVPRbis-aandelen.

Nieuwe aandelen. De aandelen of deelbewijzen moeten zijn uitgegeven bij oprichting of bij een kapitaalverhoging na 1 juli 2013. 'Oude' aandelen (van vóór die datum) komen nooit in aanmerking. Dit is een van de meest voorkomende verwarringen: enkel de inbreng van na die datum telt.

Inbreng in geld. De inbreng moet in geld gebeuren (en niet in natura: machines, handelsfonds, vorderingen, enz.). De wet van 21 januari 2022 heeft een determinerend punt verduidelijkt: de bedragen die werden onderschreven naar aanleiding van de uitgifte van de aandelen moeten volledig volgestort zijn om het regime te kunnen genieten, anders komt het verlaagde tarief in het gedrang.

Aandelen op naam, in volle eigendom. De aandelen moeten op naam zijn en sinds de inbreng ononderbroken in volle eigendom worden aangehouden. Een overdracht onder levenden, een omzetting in toonderaandelen of een niet-toegelaten splitsing van het eigendomsrecht kan leiden tot het verval van het regime voor toekomstige uitkeringen. Bepaalde grensgevallen (overdracht door overlijden, schenking met voorbehoud van vruchtgebruik) kunnen het voordeel behouden — onder strikte voorwaarden — maar vereisen een specifiek advies.

De valkuil van kapitaalmanipulaties

Elke voortijdige terugbetaling van kapitaal, elke kapitaalvermindering met betrekking tot VVPRbis-aandelen vóór het einde van de wachttermijn brengt het regime in gevaar. De Belgische fiscale doctrine (Tiberghien, Loyens & Loeff, Baker Tilly onder meer) raadt aan nooit aan het VVPRbis-kapitaal te raken zonder de gevolgen vooraf te modelleren met een fiscalist.

De wachttermijnen en de tariefniveaus

Het mechanisme steunt op twee verschillende temporele niveaus. Vóór de hervorming van 2026 was het schema als volgt.

Periode van uitkeringTarief RV vóór hervormingTarief RV na hervorming (ontwerp)
Uitkering vóór het 2de boekjaar na de inbreng30% (gewoon tarief)30% (gewoon tarief)
Uitkering in het 2de boekjaar na de inbreng20%Afgeschaft voor inbrengen na 31/12/2025
Uitkering vanaf het 3de boekjaar na de inbreng15%18%

De uitdrukking 'boekjaar dat volgt' wordt gelezen vanaf het boekjaar van de inbreng. Indien de inbreng plaatsvond in 2024 (boekjaar N), is het 2de daaropvolgende boekjaar het boekjaar 2026 (N+2), en het 3de boekjaar 2027 (N+3). De telling gebeurt op basis van boekjaren, niet van kalenderjaren — een punt waarop een bedrijfsleider met een gebroken boekjaar gewoonlijk in de val loopt.

Wat de programmawet 2026 wijzigt

Op 23 februari 2026 heeft de regering een ontwerp van programmawet ingediend dat twee parameters van het VVPRbis-regime wijzigt. De eerste is de verhoging van het tarief van het 3de boekjaar van 15% naar 18%. De tweede is de afschaffing van het 20%-niveau voor inbrengen na 31 december 2025: voor deze inbrengen geldt ofwel de wachttermijn van 3 boekjaren met het verlaagde tarief, ofwel een vroegere uitkering met het gewone tarief van 30%.

De inwerkingtreding van de nieuwe maatregel is afgestemd op de eerste dag van de maand die volgt op de publicatie van de wet in het Belgisch Staatsblad. Aangezien het parlementair tijdschema werd uitgesteld (hervatting van de werkzaamheden eind mei 2026), blijft de effectieve toepassingsdatum nog te bevestigen. Zolang de wet niet is gepubliceerd, blijft het tarief van 15% van toepassing op uitkeringen die plaatsvinden onder de huidige voorwaarden.

Het venster dat nog openstaat

Vennootschappen waarvan de VVPRbis-aandelen het 3de boekjaar hebben bereikt en die over uitkeerbare winsten beschikken, kunnen via een beslissing van de algemene vergadering vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet een dividend uitkeren tegen 15% volgens de huidige regels. De doctrine bevestigt het ontbreken van fiscaal misbruik in de zin van artikel 344 §1 WIB 92 wanneer de beslissing wordt genomen vóór de inwerkingtreding — een operatie die niet retroactief kan worden geherkwalificeerd.

De berekening van het netto-dividend in de praktijk

Een eenvoudig cijfervoorbeeld. Een Belgische KMO die in aanmerking komt voor VVPRbis, met een inbreng in 2022, beschikt over een winst na vennootschapsbelasting van 100 000 €. De bedrijfsleider wenst dit bedrag in 2026 als dividend uit te keren.

Onder het huidige regime (tarief 15%) bedraagt de roerende voorheffing 15 000 €. Het netto-dividend voor de bedrijfsleider bedraagt dus 85 000 €.

Onder het toekomstige regime (tarief 18%, na publicatie van de wet) zou de voorheffing 18 000 € bedragen, hetzij een netto-dividend van 82 000 €. Het verschil bedraagt 3 000 € op 100 000 € uitgekeerd — ofwel 3% minder netto-inkomen per schijf.

Dit verschil kan op zich beperkt lijken, maar het wordt significant wanneer men het toepast op herhaalde uitkeringen over meerdere jaren, of op grotere grondslagen (gecumuleerde reserve in één keer uitgekeerd, geleidelijke afbouw van de kasreserves over 5 of 10 jaar).

Hoe VVPRbis combineren met andere regimes

VVPRbis staat niet alleen. Het bestaat naast de liquidatiereserve (die, na een termijn die in dezelfde Arizona-hervorming op 3 jaar werd gebracht, een verlaagde aanvullende roerende voorheffing toelaat), naast de jaarlijkse vrijstelling van 859 € per belastingplichtige op de eerste schijf van roerende inkomsten, en naast andere structurele benaderingen zoals de roerende verhuur van kunstwerken.

Voor een bedrijfsleider die over aanzienlijke kasreserves beschikt en de instrumenten wil combineren, gebeurt de keuze geval per geval. VVPRbis is doorgaans sneller te activeren (3 boekjaren), maar de liquidatiereserve kan een lagere totale kost bieden in bepaalde configuraties (in het bijzonder wanneer men een schenking vóór toekomstige verkoop integreert). De roerende verhuur van een kunstwerk kent geen wachtlogica: de aftrek is onmiddellijk en structureel, onder de voorwaarden van artikel 49 WIB 92.

De juiste beslissing is nooit het geïsoleerde mechanisme, maar de architectuur die de instrumenten combineert in samenhang met de horizon, de kasreserves en de persoonlijke doelstellingen van de bedrijfsleider. Dat is het werk van een gesprek — niet van een artikel.

Verwante artikelen

Dividend, liquidatiereserve of roerende verhuur van een kunstwerk: welk mechanisme om uw kasreserves uit te keren in 2026? Fiscale hervorming Arizona: wat verandert er voor Belgische bedrijfsleiders in 2026