Inbetalinggeving is een figuur uit het burgerlijk recht: een schuldenaar kwijt zich van zijn schuld door iets anders te leveren dan geld, mits zijn schuldeiser daarmee instemt. Toegepast op de erfbelasting laat die figuur erfgenamen toe een cultuurgoed aan de overheid over te dragen in plaats van een overschrijving uit te voeren. De wetgever voerde de regeling in 1985 in, met een concreet doel: vermijden dat belangrijke stukken het land verlaten omdat een familie ze moest verkopen om de fiscus te betalen.
Een erfgenaam kan vragen om de erfbelasting geheel of gedeeltelijk te voldoen door cultuurgoederen over te dragen aan de overheid. In het Vlaamse Gewest gebeurt dat op grond van artikel 3.4.3.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit, hervormd door het decreet van 10 maart 2023; in Brussel en Wallonië op grond van artikel 83-3 van het Wetboek der Successierechten. Sinds 1 juli 2023 worden de aangeboden goederen in Vlaanderen aanvaard aan 120 % van hun marktwaarde.
Waarom de regeling bestaat
Wie een waardevol kunstwerk erft, staat voor een eenvoudige onevenwichtigheid: het actief is illiquide, de belasting niet. In het Vlaamse Gewest bedraagt de erfbelasting in rechte lijn 3, 9 en 27 %, en loopt ze voor andere personen op tot 55 %. In het Waalse Gewest gaan de tarieven vandaag van 3 tot 30 % in rechte lijn en tot 80 % tussen personen zonder verwantschap. Toegepast op een stuk met een smalle secundaire markt leidt dat vaak tot een gedwongen verkoop, op een ongelegen moment en niet zelden naar het buitenland.
De federale wetgever reageerde met de wet van 1 augustus 1985, die artikel 83-3 in het Wetboek der Successierechten invoegde. Dat artikel werd vervangen door de wet van 21 juni 2001 en aangevuld door het koninklijk besluit van 26 augustus 2003, dat de procedureregels en de schattingskosten vastlegt, in samenhang met artikel 111 van het WIB 92. Na de regionalisering leeft die regeling voort in de Brusselse en Waalse versies van het Wetboek der Successierechten, terwijl Vlaanderen het mechanisme eerst overnam en vervolgens herschreef in de Vlaamse Codex Fiscaliteit.
Wat het decreet van 10 maart 2023 veranderde
De hervorming trad in werking voor overlijdens vanaf 1 juli 2023 en raakt drie punten.
Het toepassingsgebied, eerst. De enge notie kunstwerk maakte plaats voor de ruimere notie cultuurgoed. Naast schilder- en beeldhouwkunst komen nu ook archeologische vondsten, juwelen, manuscripten en wetenschappelijke objecten in aanmerking. Bedoeld zijn de topstukken — goederen die zeldzaam en onmisbaar zijn voor de Vlaamse Gemeenschap in de zin van het decreet van 24 januari 2003 houdende bescherming van het roerend cultureel erfgoed van uitzonderlijk belang — en de sleutelwerken, die een sleutelrol vervullen binnen de collecties van Vlaamse musea en erfgoedinstellingen. Ook goederen die zich in het buitenland bevinden kunnen worden aangeboden.
De waardering, vervolgens. De aangeboden cultuurgoederen worden aanvaard ten belope van 120 % van hun marktwaarde, bepaald op het ogenblik van het openvallen van de nalatenschap. Die verhoging van 20 % maakt geen deel uit van de belastbare grondslag wanneer het goed zelf tot de nalatenschap behoort. Een stuk met een marktwaarde van 400 000 euro dooft dus 480 000 euro erfbelasting uit.
De schuld, ten slotte. De regeling dekt niet langer alleen de erfbelasting zelf, maar ook de toebehoren: opcentiemen, nalatigheidsintresten en administratieve geldboetes. Overtreft de verhoogde waarde het verschuldigde bedrag, dan is terugbetaling van het saldo mogelijk — een mogelijkheid die de oudere regeling niet kent.
| Element | Brussel · Wallonië | Vlaanderen sinds 1 juli 2023 |
|---|---|---|
| In aanmerking komende goederen | Erkende kunstwerken | Cultuurgoederen: kunst, juwelen, manuscripten, archeologie, wetenschappelijke objecten |
| Weerhouden waarde | 100 % van de venale waarde | 120 % van de marktwaarde |
| Gedekte schuld | Successierechten | Erfbelasting, opcentiemen, intresten, boetes |
| Overschot | Geen terugbetaling | Terugbetaling mogelijk |
| Adviesinstantie | Bijzondere commissie (art. 83-4) | Topstukkenraad, bindend advies |
De eigendomsvoorwaarde, waar dossiers stranden
Daar wringt het meestal. De aangeboden goederen moeten in hun geheel en in volle eigendom toebehoren aan de overledene, aan zijn langstlevende echtgenoot of wettelijk samenwonende partner, of aan zijn erfgenamen, legatarissen of begiftigden. Die eis sluit meteen een aantal situaties uit die de vermogensplanning zelf heeft gecreëerd.
Een verzameling die is ingebracht in een rechtspersoon — een private stichting, een burgerlijke maatschap, een patrimoniumvennootschap — voldoet niet aan de eigendomsvoorwaarde als die entiteit niet als legataris in het testament van de erflater is opgenomen. Ook een splitsing tussen vruchtgebruik en blote eigendom vormt een obstakel, want volle eigendom is vereist. Een constructie die om andere redenen werd opgezet kan de toegang tot de inbetalinggeving dus afsluiten zonder dat iemand dat had voorzien.
Een tweede beperking is minder zichtbaar. De inbetalinggeving is geen recht van de belastingplichtige, maar het resultaat van een akkoord tussen schuldenaar en schuldeiser. De fiscale administratie behoudt een beoordelingsbevoegdheid over het aanbod. Een erfgenaam kan zijn financieringsplan voor de erfbelasting dus niet bouwen op de veronderstelling dat de betalingswijze aanvaard wordt.
Zekerheid vragen bij leven
Dit is het meest bruikbare gevolg van de Vlaamse hervorming. Wie een cultuurgoed bezit, kan vóór het overlijden een voorafgaand verzoek indienen bij de Topstukkenraad om te laten onderzoeken of dat goed in aanmerking zou komen. De raad spreekt zich uit over de categorie waartoe het goed behoort en over de waarde ervan, en brengt daarover bindend advies uit aan de Vlaamse Regering.
Vooraf weten of een stuk aanvaard wordt, verplaatst de vraag van het domein van de veronderstelling naar dat van de berekening. De verzamelaar kan met kennis van zaken kiezen: het stuk behouden en de inbetalinggeving voorbereiden, het bij leven schenken aan het gewestelijke roerende tarief, of het langs een andere weg uit de nalatenschap halen. Zonder die toetsing ontdekken de erfgenamen pas of het mechanisme beschikbaar is op het moment dat de aangiftetermijn al loopt.
Wat de regeling niet oplost
Het mechanisme blijft voorbehouden aan een klein aantal dossiers. Het viseert stukken van uitzonderlijk erfgoedbelang, niet privéverzamelingen van goed niveau. Een hedendaagse collectie die over twintig jaar werd opgebouwd en enkele honderdduizenden euro waard is, maakt in de regel geen kans om als topstuk of als werk van internationale faam te worden erkend. Haar overdracht verloopt via andere instrumenten: een geregistreerde roerende schenking, een doordachte eigendomsstructuur, een afweging tussen privévermogen en vennootschap.
Er is bovendien een prijs. Het stuk verlaat de familie definitief en gaat over naar het openbaar domein. Voor wie wil dat de werken binnen de familiekring blijven, is de inbetalinggeving geen alternatief voor overdracht, maar een alternatief voor verkoop.
Ten slotte verschuift de rekensom. Het Waalse decreet van 5 december 2024 halveert de hoogste tarieven voor overlijdens vanaf 1 januari 2028: maximaal 15 % in rechte lijn in plaats van 30 %, en 15 tot 40 % tussen personen zonder verwantschap in plaats van 30 tot 80 %. De vrijstelling in rechte lijn, voor de echtgenoot en de wettelijk samenwonende partner stijgt van 12 500 naar 25 000 euro. In het Vlaamse Gewest gaat de vrijstelling voor de langstlevende partner op de roerende goederen sinds 1 januari 2026 van 50 000 naar 75 000 euro. Een dossier dat op de huidige tarieven is gebouwd, verdient een herlezing tegen de achtergrond van die kalender.
In de praktijk
Drie vragen bepalen of het mechanisme in een concreet dossier bruikbaar is. Het gewest waaraan de erflater fiscaal gebonden is, dat bepaalt welke regeling geldt en of de waardering aan 120 % beschikbaar is. Het werkelijke erfgoedniveau van het stuk, dat bij de bevoegde instantie wordt getoetst en niet op gevoel wordt ingeschat. En de eigendomsketen, die op de dag van het overlijden moet uitmonden in volle eigendom bij de erflater of zijn rechthebbenden.
Die drie punten onderzoekt men vóór het overlijden, op stukken. Nadien laat de aangiftetermijn weinig ruimte om een schattingsdossier op te bouwen en een advies te verkrijgen.
Bevat uw vermogen kunstwerken waarvan de overdracht nog niet geregeld is, dan situeert een eerste vertrouwelijk gesprek de opties die in uw configuratie werkelijk beschikbaar zijn — zonder enige verbintenis.