Wie de liquiditeiten van zijn vennootschap in een DBI-bevek parkeerde, rekende op één zekerheid: de 30 % roerende voorheffing op de uitkeringen kwam integraal terug. Vanaf aanslagjaar 2026 geldt dat alleen nog als de bedrijfsleider voldoende bezoldiging opneemt.

Kort antwoord

Artikel 282/1 WIB 92 maakt de verrekening en terugbetaling van de roerende voorheffing op DBI-bevekdividenden afhankelijk van een minimumbezoldiging aan minstens één bedrijfsleider-natuurlijke persoon: 45.000 euro voor aanslagjaar 2026, 50.000 euro vanaf aanslagjaar 2027 en daarna geïndexeerd — of het belastbaar resultaat als dat lager uitkomt. Wordt de voorwaarde niet gehaald, dan is de voorheffing definitief verloren. De sanctie speelt echter enkel wanneer de DBI-aftrek wordt gevraagd, zodat afzien van die aftrek de schade beperkt tot het gewone tarief.

Waarom de DBI-bevek een uitzonderingspositie had

Een vennootschap die rechtstreeks minder dan 10 % van een deelneming aanhoudt, haalt het stelsel van de definitief belaste inkomsten enkel als de aanschaffingswaarde 2.500.000 euro bereikt en de titels minstens één jaar worden aangehouden. Een DBI-bevek is zelf een beleggingsvennootschap, en op haar uitkeringen gelden die twee voorwaarden niet.

Daar staat iets tegenover. De statuten van de bevek moeten jaarlijks minstens 90 % van de netto-inkomsten uitkeren, en de bevek moet zelf beleggen in vennootschappen die aan de taxatievoorwaarde beantwoorden. De aandeelhouder stelt zijn inkomsten vervolgens vrij volgens een DBI-coëfficiënt die de bevek elk jaar meedeelt. Het voordeel zit dus in de vrijstelling van voorwaarden, niet in een gunsttarief.

Het DBI-stelsel zelf is strenger geworden

Nog voor de wetgever zich over de beveks boog, had de wet van 18 juli 2025 het klassieke DBI-stelsel al aangescherpt. Vanaf aanslagjaar 2026 moet een rechtstreekse deelneming onder 10 % met een aanschaffingswaarde van 2.500.000 euro de aard van financieel vast actief hebben om recht te geven op de DBI-aftrek of op de vrijstelling van meerwaarden op aandelen. Die extra eis geldt enkel voor moedervennootschappen die geen kleine vennootschap zijn.

Wat dat concreet betekent, staat in de circulaire 2025/C/63 van 3 oktober 2025. De administratie vraagt een duurzame band, wat uitsluit dat de titels zijn verworven om op korte termijn te worden gerealiseerd, én een specifieke band, die een strategische zakenrelatie veronderstelt. Een louter beleggingsdoel — door de administratie omschreven als het enkel realiseren van meerwaarden of dividenden — volstaat niet. De memorie van toelichting had het nochtans over deelnemingen die "uitsluitend" voor beleggingsdoeleinden worden aangehouden. De circulaire leest dus strenger dan de wet die zij becommentarieert, en die kloof zal voor betwisting zorgen.

Voor DBI-bevekdividenden verandert dit niets: de bevek blijft buiten de deelnemings- en permanentievoorwaarden. Het verschil tussen beide routes is op dat punt dus groter geworden, niet kleiner. Precies daarom richtte de wetgever zich vervolgens op de bevek zelf.

De bezoldigingsvoorwaarde van artikel 282/1 WIB 92

De wet van 18 december 2025 houdende diverse fiscale bepalingen, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 30 december 2025, voegt twee wrijvingspunten toe vanaf aanslagjaar 2026 — dus al voor de balans afgesloten op 31 december 2025. De circulaire 2026/C/33 van 26 februari 2026 becommentarieert ze beide.

Het eerste wrijvingspunt is een drempel die de wetgever niet zelf bedacht: die van artikel 215, derde lid, 4° WIB 92, dezelfde die het verlaagd tarief van 20 % op de eerste schijf van 100.000 euro winst beheerst. Concreet 45.000 euro bruto aan minstens één bedrijfsleider-natuurlijke persoon, toegekend in het belastbaar tijdperk waarin het dividend wordt ontvangen. Ligt het belastbaar resultaat lager, dan volstaat een bezoldiging gelijk aan dat resultaat: een vennootschap met 28.000 euro resultaat hoeft zich niet in verlies te zetten. Vanaf aanslagjaar 2027 wordt de drempel 50.000 euro, daarna jaarlijks geïndexeerd.

Twee categorieën vallen buiten de regel. Vennootschappen in hun eerste vier belastbare tijdperken sinds oprichting genieten de voorwaarde van rechtswege, en erkende coöperatieve vennootschappen behouden de verrekening in alle gevallen.

Het toepassingsgebied reikt bovendien verder dan de DBI-bevek alleen: gereglementeerde vastgoedvennootschappen, publieke privaks, gespecialiseerde vastgoedbeleggingsfondsen en ELTIF's vallen er eveneens onder, net als hun buitenlandse tegenhangers.

Logica van de maatregel

De memorie van toelichting is expliciet: de wetgever wil vermijden dat een bedrijfsleider zich uitsluitend via bevekdividenden bezoldigt in plaats van via een bezoldiging die aan de personenbelasting is onderworpen. Omdat de drempel die van artikel 215 is, verloor wie hem niet haalde al het verlaagd tarief in de vennootschapsbelasting. Daar komt nu de voorheffing bij.

Cijfervoorbeeld op een dividend van 10.000 euro

Een DBI-bevek keert 10.000 euro bruto uit, met een DBI-coëfficiënt van 98 %. Aan de bron wordt 3.000 euro roerende voorheffing ingehouden; de vennootschap ontvangt 7.000 euro.

SituatieBelastbare basisLot van de voorheffingTotale fiscale kost
Bezoldiging gehaald, DBI-aftrek gevraagd200 euro3.000 verrekend, 2.950 terugbetaald50 euro (0,5 %)
Bezoldiging niet gehaald, DBI-aftrek gevraagd200 euro3.000 definitief verloren3.050 euro (30,5 %)
Bezoldiging niet gehaald, geen DBI-aftrek10.000 euro3.000 verrekend, 500 terugbetaald2.500 euro (25 %)

Tussen de tweede en de derde regel zit 550 euro op 10.000 euro, of 5,5 % van het brutodividend. Een portefeuille van 2.000.000 euro die 3 % per jaar uitkeert, levert 60.000 euro dividenden op: het verschil bedraagt dan 3.300 euro per boekjaar.

Afzien van de DBI-aftrek om de voorheffing te redden

De minister heeft in de commissie bevestigd dat de niet-verrekenbaarheid van artikel 282/1 enkel speelt wanneer de DBI-aftrek daadwerkelijk wordt gevraagd op het dividend. Dat maakt van de maatregel geen sanctie maar een keuze.

Wie de aftrek vraagt, haalt het dividend nagenoeg volledig uit de belastbare basis, maar verliest 3.000 euro voorheffing: effectieve last 30,5 %. Wie de aftrek laat, neemt het dividend op tegen 25 % en ziet de voorheffing opnieuw verrekenbaar worden, met terugbetaling van het overschot. De bovengrens zakt daarmee van 30,5 % naar 25 %.

Of die rekening in een concreet dossier opgaat, hangt af van de DBI-coëfficiënt die de bevek rapporteert, van overgedragen fiscale verliezen die het dividend eventueel opslorpen, en van de weerslag op de andere aftrekken in de korf van artikel 207 WIB 92.

Aandachtspunt

De keuze tussen aftrek en verrekening wordt in de aangifte gemaakt, wanneer de cijfers bekend zijn. Voor de bezoldiging geldt dat niet: zij moet tijdens het belastbaar tijdperk zijn toegekend en kan na afsluiting van het boekjaar niet meer worden bijgeregulariseerd. Wie het probleem pas bij het opstellen van de aangifte ziet, heeft alleen de tweede optie nog.

De afzonderlijke aanslag van 5 % bij uitstap

Het tweede wrijvingspunt weegt in de praktijk veel lichter. Artikel 219sexies WIB 92 onderwerpt meerwaarden die krachtens artikel 192, § 1 WIB 92 zijn vrijgesteld aan een afzonderlijke aanslag van 5 %, wanneer zij worden gerealiseerd op aandelen of deelbewijzen van beleggingsvennootschappen met een van het gemeen recht afwijkend aanslagstelsel (art. 203, § 1, eerste lid, 2° WIB 92) of van gereglementeerde vastgoedvennootschappen (art. 203, § 1, eerste lid, 2bis). Private privaks blijven buiten het toepassingsgebied.

De aanslag is enkel verschuldigd als de uitgekeerde inkomsten in een vorig belastbaar tijdperk het DBI-stelsel genoten, en hij vormt een minimale belastbare grondslag: overgedragen verliezen kunnen hem niet neutraliseren.

Waar de maatregel haar scherpte verliest, is bij de inkoop van eigen aandelen door de beleggingsvennootschap in de zin van artikel 186 WIB 92, die uitdrukkelijk is uitgesloten. De meeste DBI-beveks zijn immers niet beursgenoteerd en hebben een onbepaalde duur: de uittredende vennootschap laat haar deelbewijzen door het fonds inkopen, dat ze vernietigt. Blijft dus enkel de overdracht aan een derde, en dat is in de praktijk een randgeval.

Wat dit betekent voor de vennootschapsportefeuille

Rendement en risico volstaan niet langer om een collectieve belegging van bedrijfsliquiditeiten te beoordelen. Er is een derde variabele bij gekomen, en die wordt elders in de vennootschap beslist, om redenen die niets met beleggen te maken hebben. Een bedrijfsleider die zijn bezoldiging verlaagt om zijn personenbelasting te drukken, verlaagt tegelijk het nettorendement van de portefeuille zonder er iets aan te wijzigen.

Niet elk actief draagt die koppeling. Een lichamelijk roerend goed op de actiefzijde, bijvoorbeeld een kunstwerk, brengt geen stroom voort die aan roerende voorheffing is onderworpen, zodat er ook geen verrekening te beschermen valt; de meerwaardebelasting op financiële activa van 2026 raakt het evenmin, want die viseert financiële instrumenten. De prijs daarvan is bekend: geen uitkering, een afschrijving die de fiscus slechts uitzonderlijk aanvaardt, en een waarde zonder beurskoers. Het punt is dan ook niet de ene belegging door de andere te vervangen, maar te vermijden dat een volledige balanspost afhangt van één beslissing over bezoldiging.

Veelgestelde vragen

Is de roerende voorheffing op een DBI-bevekdividend in 2026 nog verrekenbaar?
Ja, maar enkel als de vennootschap aan minstens één bedrijfsleider-natuurlijke persoon de minimumbezoldiging van artikel 215, derde lid, 4° WIB 92 toekent: 45.000 euro, of het belastbaar resultaat van het tijdperk als dat lager is. Zonder die bezoldiging maakt artikel 282/1 WIB 92 de voorheffing van 30 % niet verrekenbaar en niet terugbetaalbaar, waardoor zij een definitieve kost voor de vennootschap wordt.

Wat als de vennootschap de minimumbezoldiging niet haalt?
De niet-verrekenbaarheid speelt enkel wanneer de DBI-aftrek daadwerkelijk wordt gevraagd, zoals de minister in de commissie heeft bevestigd. Een vennootschap die van de aftrek afziet, neemt het dividend op in haar gewone belastbare basis tegen 25 %, maar recupereert de ingehouden voorheffing, waardoor de kost van 30,5 % naar 25 % daalt.

Treft de aanslag van 5 % elke uitstap uit een DBI-bevek?
Nee. Artikel 219sexies WIB 92 beoogt de krachtens artikel 192, § 1 vrijgestelde meerwaarden op de deelbewijzen, maar sluit de inkoop van eigen aandelen door de beleggingsvennootschap in de zin van artikel 186 WIB 92 uitdrukkelijk uit — precies de gebruikelijke uitstapweg. In de praktijk speelt de aanslag dus alleen bij een overdracht aan een derde, en private privaks blijven volledig buiten het toepassingsgebied.

Lees ook

→ Minimumbezoldiging bedrijfsleider 2026: de drempel van 50.000 euro voor het verlaagd tarief → Beleggen via de vennootschap of privé in 2026: de cijfers naast elkaar → Meerwaardebelasting 2026: wat Belgische bedrijfsleiders moeten herrekenen → Liquidatiereserve na de Arizona-hervorming: nieuwe termijn en nieuw tarief